Eenmaal aangekomen en buiten het station treedt men binnen in het Land van de Belletjes, dankzij het onophoudelijke en feestelijke komen en gaan van koetsen, rijtuigen en door paarden getrokken sleeën, waarvan het klingelen het ruime plein en de hoofdstraat vult. Zermatt is een stadje met ongeveer 3600 inwoners, genesteld aan de voet van de Matterhorn, hier Matterhorn genoemd, letterlijk ‘de hoorn die uitkijkt over de weiden’.
Naast dat het de belangrijkste toeristische en wandelbestemming is, torent zijn top als een waakzame beschermer boven het dorp uit en trekt het de blik van wie over de Hauptstrasse wandelt, de hoofdstraat die het centrum van noord naar zuid doorsnijdt.
Oorspronkelijk gesticht als nederzetting van Walser kolonisten (en dus Duitstalig; hetgeen overblijft zijn de talloze veel gefotografeerde schuren die rusten op de karakteristieke stenen en houten “paddestoelen”), begon Zermatt al in het begin van de 19e eeuw welvaart en bekendheid te proeven, met de eerste groepen toeristen en wandelaars die de Matterhorn kwamen uitdagen. Aan de frontlinie stonden de Engelsen, gevolgd door Duitsers, Oostenrijkers en Italianen.

