Na de brand in 64 na Chr., die een groot deel van het centrum van Rome verwoestte, liet keizer Nero een nieuw verblijf bouwen met muren bedekt met kostbare marmer en gewelven versierd met goud en edelstenen, zodat het de naam Domus Aurea verdiende.
Het werd ontworpen door de architecten Severus en Celer en gedecoreerd door de schilder Fabullus. Het enorme complex bestond uit uitgestrekte wijngaarden, weiden en bossen, een kunstmatig meer, geroofde schatten uit steden in het Oosten en kostbare versieringen, waaronder een kolossaal standbeeld van de keizer in de gedaante van de zonnegod. Na de dood van Nero probeerden zijn opvolgers het paleis te begraven en elke spoor ervan uit te wissen.
De luxe zalen werden beroofd van hun bekleding en sculpturen en opgevuld met aarde tot aan de gewelven, waarna de grote thermen van Titus en Trajanus erbovenop werden gebouwd. In het dal eronder werd het Colosseum opgericht. De weelderige fresco- en stucdecoraties van de Domus Aurea bleven verborgen tot de Renaissance. Toen klommen enkele kunstenaars, gepassioneerd door de oudheid, waaronder Pinturicchio, Ghirlandaio, Rafaël, Giovanni da Udine en Giulio Romano, naar beneden in wat zij voor grotten hielden en begonnen de decoratieve motieven van de gewelven na te bootsen.
Daarom werden de decoraties “grottesken” genoemd. Met de herontdekking begonnen de problemen met het behoud van de schilderingen en stucwerk, die snel vervaagden door vochtigheid en uiteindelijk werden vergeten. Pas na de vondsten van de fresco’s in Pompeii kregen geleerden opnieuw interesse in de Romeinse grottesken en in 1772 werden de opgravingen in de Domus Aurea hervat.

